WoordenlijstZoek in het alfabet naar de betekenis van een woord[ A| B| C| D| E| F| G| H| I| J| K| L| M| N| O| P| Q| R| S| T| U| V| W| X| Y| Z ] A ACE-remmers: Een medicijn wat de bloeddruk helpt te verlagen en de nieren beschermt. Acesilfaam: Een zoetstof die geen calorieën levert Acidose: Het verzuren van het bloed door ketonen of melkzuren Adipositas: Een zeer ernstige vorm van overgewicht. Afvallen: Een onderdeel van de behandeling bij diabetespatiënten met overgewicht. Nodig om insulineresistentie. Albuminurie: Abnormaal verlies van eiwitten in de urine. Albumniurie kan een aanwijzing zijn voor nierproblemen. Alcohol: Geeft in het begin een stijging van de bloedsuikerwaarde, maar kan tot 24 uur na het drinken van alcohol nog kans op hypo's geven. Alfacellen: Deze cellen komen voor in de alvleesklier. Ze maken het hormoon glucagon en geven dit af aan het bloed. Alvleesklier: een langwerpig orgaan, gelegen onder de maag. Het orgaan maakt onder andere insuline. Angina pectoris: Druk of pijn in de hartstreek, uitstralend naar de linkerschouder/arm. Deze pijn wordt veroorzaakt door een tekort aan bloed aan het hart. Antistoffen: stoffen die gemaakt worden door het afweersysteem en schadelijke stoffen die het lichaam binnendringen onschadelijk maken. Atherosclerose: verkalking/vervetting van de wand van slagaders. De wand wordt dikker en minder elastisch. De verkalkingen/vervettingen kunnen losraken en een hartinfarct of beroerte tot gevolg hebben. Aspartaam: Een zoetstof zonder calorieën. Auto-immuunziekte: een ziekte waarbij het eigen afweersysteem lichaamseigen cellen gaat vernietigen. Bij diabetes-type 1 vernietigd het lichaam de bétacellen van de alvleesklier. Deze cellen zijn verantwoordelijk voor de insulineproductie. B Basisinsuline: Een injectie langwerkende insuline ,welke bv. voor het slapen wordt toegediend. Deze geeft de basisinsuline, de hoeveelheid die nodig is om gedurende de gehele dag een geringe hoeveelheid insuline in het bloed te hebben. Beroerte: Een bloeding in de hersenen waadoor bewusteloosheid en/of verlamming op kan treden. Bétablokkers: Bloeddrukverlagend medicijn. Ook gebruikt bij Angina pectoris. Bétablokkers kunnen ervoor zorgen dat een aankomende hypo niet opgemerkt wordt. Bètacellen: Cellen van de eilandjes van Langerhans, gelegen in de alvleesklier. Deze cellen zijn verantwoordelijk voor de insulineproductie van het lichaam. Biguanides: medicijnen die het lichaam gevoeliger maken insuline. Vaak gebruikt bij diabetes type 2 in combinatie met overgewicht (metformine of glucophage). Bloeddruk: de bloeddruk is de vloeistofdruk in het slagadersysteem. De bloeddruk wordt weergegeven door middel van 2 kerngetallen, de systolische druk/bovendruk en de diastolische druk/onderdruk gescheiden door een schuine streep, bv. 130/85. * De systolische druk is de maximale druk die wordt opgebouwd in de aorta of hoofdlichaamsslagader bij het samentrekken van de linker hartkamer. * De diastolische druk is het minimum van de druk dat optreedt tussen 2 samentrekkingen van het hart in, als het hart zich weer met bloed vult. Bloedglucosewaarde: de hoeveelheid glucose die in het bloed voorkomt. Deze hoeveelheid wordt gemeten per mmol/l. Borderline diabetes: de situatie waarbij iemand op de rand van wel of geen insuline spuiten staat. Brittle diabetes: Een vorm van diabetes die wordt gekenmerkt door sterke schommelingen in de bloedglucosewaarden in een korte tijd. Patiënten met deze vorm van diabetes zijn vaak moeilijk in te stellen op insuline. C Calorie: Een maateenheid voor de hoeveelheid energie die voedsel levert. Calorieën zitten in eiwitten, vetten, koolhydraten en alcohol. Calorieën die niet door het lichaam worden gebruikt, worden opgeslagen als vet. Capillair: ook haarvat/haarvaten genoemd. De allerkleinste bloedvaatjes in het lichaam waar alle afval- en bouw/voedingsstoffen worden uitgewisseld met de cellen van organen etc. Charcotvoet: een verandering van de gewrichtsstand van de voet, ontstaan door diabetes. Dit is alleen aan te tonen met behulp van rontgenstraling. Cardiovasculaire aandoening: ziekte van hart en bloedvaten. Carpale tunnel syndroom: een afwijking door een beknelde zenuw in de pols. De carpale tunnel is de ruimte in de pols waardoor de zenuwen voor de hand lopen. Door veranderingen in deze ruimte door zwelling/druk kan een van de zenuwen bekneld raken. Diabetespatiënten hebben een verhoogd risico op het krijgen van dit syndroom. Cataract: vertroebeling van de ooglens. Cholesterol: een vetachtige stof die door het lichaam gebruikt wordt om cellen op te bouwen en bepaalde hormonen aan te maken. Cholesterol komt vooral voor in dierlijke producten. Coma: een vorm van bewusteloosheid. Kan worden veroorzaakt door een te laag of een veel te hoog glucosegehalte in het bloed. Cortisol: een hormoon wat aangemaakt wordt door de bijnieren. Het verhoogd de glucosespiegel in het bloed. C-peptide: een onderdeel van het uiteindelijke insuline. Wanneer insuline door de alvleesklier wordt uitgescheiden, komt er evenveel c-peptide in het bloed terecht. Door te bepalen hoeveel c-peptide er in het bloed zit kan worden bekeken hoeveel insuline de alvleesklier zelf aanmaakt. Hieruit kan worden besloten of iemand insuline moet gaan spuiten of niet. Cyclamaat: kunstmatige zoetstof. Gebruikt in plaats van suiker. D Dageraadfenomeen: een verhoging van de bloedglucosespiegel tussen 4 en 8 uur 's morgens. Dit fenomeen wordt veroorzaakt doordat er meer groeihormoon in het bloed komt, hierdoor is er meer insuline nodig om de glucosespiegel op peil te houden. Dehydratie: tekort aan vocht in het lichaam. Een te hoge glucosespiegel in het bloed kan uitdroging/ een tekort aan vocht veroorzaken. Dextrose: druivensuiker. Deze vorm van suiker wordt erg snel in het bloed opgenomen en is dus handig wanneer de bloedglucosespiegel te ver daalt (hypo). Diabetesdagboek: hierin worden alle gemeten bloedglucosewaarden opgeschreven. Ook wordt genoteerd hoeveel insuline iemand heeft gespoten en eventuele bijzonderheden zoals ziekte/verjaardagen etc. Een handig hulpmiddel bij het overleg met diabetesverpleegkundige, diëtist of arts. Diabetes gravidarum: zie zwangerschapsdiabetes Diabetes insipidus: géén suikerziekte. Deze vorm van diabetes wordt ook wel water-diabetes genoemd. De oorzaak en behandeling verschillen erg. Vaak hebben deze groep patiënten een grote urineproductie, hebben ze veel dorst en honger, daarnaast voelen ze zich zwak. Diabetes Mellitus: suikerziekte. Door een stoornis in de stofwisseling kan het lichaam geen glucose uit het bloed opnemen voor energiegebruik. Dit komt door een tekort aan insuline of doordat de gemaakte insuline zijn werk niet kan doen. Doordat de hoeveelheid glucose in het bloed te hoog is scheiden de nieren een deel van de glucose uit. Hierdoor ontstaan klachten als dorst, veel plassen en gewichtsverlies. Diabetespaspoort: een hulpmiddel voor iemand met diabetes, arts en diabetesverpleegkundige. In het paspoort worden de labuitslagen opgeschreven en ook de medicatie die iemand gebruikt. Diabetische voet: Voetproblemen die zijn veroorzaakt door de diabetes zoals wonden en vervormingen. Diabetogeen: diabetes veroorzakend. Sommige virussen en geneesmiddelen kunnen diabetes veroorzaken. Diureticum: plastablet. Medicatie die ervoor zorgt dat er meer vocht wordt uitgescheiden. Een diureticum wordt gebruikt bij een te hoge bloeddruk en oedemen (vochtophoping).DVN: Diabetesvereniging Nederland E Eenheid: een internationaal vastgestelde hoeveelheid insuline. Eilandjes van Langerhans: groepjes cellen in de alvleesklier die verantwoordelijk zijn voor de aanmaak van het glucoseverlagende hormoon: insuline. Embolus: meervoud emboli. Een bloedstolsel/prop in de bloedsomloop. Endocriene klieren: klieren die hormonen in de bloedbaan uitscheiden (voorbeeld: alvleesklier). Enzymen: eiwitten die bepaalde reactie/processen in het lichaam versneld kunnen laten verlopen. Epinefrine: een hormoon wat door de bijnieren wordt gemaakt. Het heeft een bloedglucoseverhogende werking. Euglycemie: = normoglycemie. De toestand waarbij het glucosegehalte in het bloed normaal is. Exocrien weefsel: weefsel wat spijsverteringssappen maakt (voorbeeld: de alvleesklier). F Fructose: bouwsteen van koolhydraten. Fructose komt voor in fruit. Fundusfoto: foto van het netvlies in het oog om te bekijken of de diabetes de ogen heeft aangetast. G Galactose: een bouwsteen van koolhydraten. Gamma-gt-bepaling: een bepaling die informatie geeft over de leverfunctie. Glucose-intollerantie: het glucosegehalte van het bloed is verhoogd, maar nog niet zo erg als bij diabetes. Glaucoom: verhoogde oogdruk. Glipizide: een medicament met een bloedglucoseverlagende werking. Alleen geschikt bij sommige vormen van diabetes type 2.Glomerulus: een netwerk van haarvaatjes in de nieren die een filterende functie hebben om de urine te produceren. Glycemische index: de maat voor het stijgen van de bloedglucosewaarde na het eten van iets wat 50 gram koolhydraten bevat. Glucagon: een hormoon, gemaakt door de alvleesklier. Glucagon heeft een bloedglucoseverhogende werking. Glucagon is beschikbaar als medicijn wat ingespoten dient te worden bij diabetespatiënten met een ernstige hypoglycemie. Glucose: een bouwsteen van koolhydraten. Glucose is een energieleverancier voor het lichaam. De hersenen zijn bijna helemaal afhankelijk van glucose om te kunnen functioneren. Glycogeen: glucose wat is opgeslagen in de lever en de spieren. Glycogeen wordt bij een tekort aan glucose (bijvoorbeeld 's nachts en bij intensief bewegen) aangesproken om te voorzien in energie. Groeihormoon: gemaakt door de hypofyse (een onderdeel van de hersenen). Groeihormoon heeft een bloedglucoseverhogende werking. GTT: Glucose Tolerantie Test: wordt niet vaak meer gebruikt, alleen bij twijfel of er sprak is van diabetes. De test bestaat uit het meten van de nuchtere bloedglucosewaarde, het toedienen van glucose, na 2 uur nogmaals het meten van de bloedglucosewaarde. Eventueel wordt het herhaald. H HbA1c: Een vorm van hemoglobine (onderdeel van de rode bloedlichaampjes) waaraan glucose blijft vastzitten. Hoe meer glucose er in het bloed zit, hoe hoger het HbA1c-gehalte. Deze waarde toont hoe hoog de bloedglucosewaarde gemiddeld is geweest in 8-10 weken. HDL: High Denstity Lipoproteine. Het 'goede' cholesterol. HDL vervoert cholesterol vanuit het lichaam naar de lever om daar verwerkt te kunnen worden. HDL heeft een opruimende functie. Hemoglobine: een ijzerhoudend onderdeel van de rode bloedcellen, waaraan zuurstof zich kan binden om door het bloed vervoerd te worden. Honeymoonfase: alleen bij type1 diabetes. Een periode na de start van insuline waarbij er voor 3 weken tot ongeveer 1 jaar minder of zelfs geen insuline nodig is. Dit komt doordat de toegediende insuline de alvleesklier rust geeft, waardoor deze weer tijdelijk insuline kan gaan maken. Dit is echter altijd maar tijdelijk. Hyper(glycemie): hoge bloedsuikerspiegel Hyperinsulinemie: het insuline-gehalte in het bloed is te hoog. Dit ontstaat doordat er teveel insuline wordt gemaakt door het lichaam of doordat er teveel insuline wordt gespoten. Insuline leidt tot een daling van de bloedglucosespiegel. Te veel insuline heeft als resultaat dat de bloedglucosewaarde te laag wordt. Hyperlipidemie: te veel vetachtige stoffen 9bijvoorbeeld cholesterol) in het bloed. Hypertensie: een continue hoge bloeddruk. Hypo(glycemie): lage bloedglucosespiegel (lager dan 4.0 mmol/l. I IADM: insuline afhankelijke Diabetes Mellitus Impotentie: Verminderd of verdwenen vermogen tot peniserectie en/of zaadlozing. Dit ontstaat door beschadiging van de zenuwen die naar de penis lopen. Insuline: een hormoon, gemaakt door de alvleesklier. Insuline zorgt ervoor dat cellen glucose kunnen opnemen. Insuline-antagonisten: hormonen die de werking van insuline tegengaan en de bloedglucosewaarde in het bloed verhogen. Insuline-atrofie: Kleine huidintrekkingen door herhaald injecteren van insuline op dezelfde plaats. Insuline-hypertrofie: kleine bultjes tengevolge van het injecteren van insuline op telkens dezelfde plaats. Insulinepen: om insuline mee te injecteren. Heeft de vorm van een grote pen met een wegwerpnaald. Insulinepomp: een pompje wat iemand continu bij zich draagt. Het pompje geeft steeds kleine beetjes insuline af en bootst daarmee het lichaam vrij nauwkeurig na. Wanneer iemand iets eet moet extra de pomp geprogrammeerd worden om wat extra insuline af te geven. Insuline-receptoren: zitten aan de buitenkant van een cel. Insuline bindt zich aan de receptoren waarna de cel glucose zal gaan opnemen vanuit het bloed. In de cel wordt de glucose gebruikt als brandstof. Insulineresistentie: Iemand heft meer insuline nodig om de bloedglucosewaarde in het bloed te laten dalen dan iemand zonder insulineresistentie. Insulineresistentie wordt vooral veroorzaakt door overgewicht. Insulinoom: een tumor van de bètacellen in de Eilandjes van Langerhans. Ze veroorzaken een abnormale insulineproductie waardoor het bloedglucosegehalte te laag wordt. Intensief insuline regime: het geven van meerdere insuline-injecties per dag 9of insulinetoediening via een pomp) om een goede controle op de glucosespiegel in het bloed te verkrijgen. Een regelmatige bloedglucosecontrole is noodzakelijk. J Jeugddiabetes: type 1 diabetes. Vroegere benaming. Jeuk: ontstaat vaak door een te hoog glucosegehalte in het bloed. Doordat glucose in de urine terecht komt kan jeuk aan de geslachtsorganen ontstaan. Bij vrouwen ontstaat vaak ook een verhoogde vaginale afscheiding. K Keto-acidose: ontstaat doordat er te weinig insuline in het bloed is door ziekte of door onvoldoende insulinetoediening. Het lichaam gaat over op vetverbranding waarbij ketonlichamen (zure afbraakproducten) vrijkomen. Hierdoor verzuurt het bloed. Keto-acidose begint geleidelijk en kan uiteindelijk levensbedreigend zijn. Alleen behandelbaar met vocht- en insulinetoediening. Ketonen: Afvalproducten die ontstaan wanneer het lichaam overgaat op afbraak van vetzuren. Ketonurie: De aanwezigheid van ketonlichamenn in de urine. Dit is te meten met bepaalde strips die in de urine gehouden kunnen worden. De aanwezigheid van ketonlichamen in de urine geeft een waarschuwing voor een keto-acidose. Kilocalorie (kcal): maateenheid voor energie van voedingsmiddelen. Koolhydraten: samen met vet, eiwitten en alcohol leveren koolhydraten calorieën aan het lichaam als brandstof. Ze zitten in melkproducten, zetmeelproducten (bv. brood, rijst), fruit en zoete dingen zoals zoet broodbeleg en koekjes. Koolhydraten zijn ketens van onder andere glucosemoleculen die in het lichaam worden afgebroken tot glucose. Door het eten van koolhydraten stijgt uiteindelijk de bloedglucosespiegel. L Lactose: een koolhydraat. Komt voor in melk en melkproducten. Lancet: een klein naaldje waarmee een vingerprik kan worden gedaan. Hierna kan de bloedglucose worden gemeten door een glucosemeter. Lange termijncomplicaties: ziekten die ontstaan als gevolg van diabetes. Voorbeelden van complicaties zijn: nierproblemen, hart- en vaatziekten, problemen aan de voeten en oogproblemen. Lasertherapie: LDL: Low Density Lipoprotein. De 'slechte' vorm van cholesterol. LDL vervoert cholesterol van de lever naar alle delen in het lichaam en kan in de bloedbaan blijven plakken aan de bloedvatwand. Lipiden: vetten Lipoproteinen: moleculen in de het bloed die bestaan uit eiwitten en vetten (voorbeeld LDL, HDL en triglyceriden). M Macro-angiopathie: afwijkingen/ziekten aan de grote bloedvaten. Maculair oedeem: Manifeste diabetes: duidelijke aanwezigheid van diabetes. Meervoudig onverzadigd vet: vetzuren met op een aantal plaatsen een scheikundige 'dubbele binding'. Deze vetzuren zijn gezonder voor het lichaam, omdat ze een gunstig effect hebben op het cholesterolgehalte. Micro-albuminurie: de aanwezigheid van kleine hoeveelheden eiwit in de urine. Dit is een teken van beschadiging van de bloedvaten in de nieren. Microalbuminurie kan weer verdwijnen wanneer het snel ontdekt en behandeld wordt. Micro-angiopathie: afwijkingen en ziekten aan de kleine bloedvaten. Mineralen: natuurlijke stoffen die een opbouwende functie in het lichaam hebben (bv calcium). Mmol/L: een scheikundige maat. De hoeveelheid bloedglucose wordt in mmol/L aangeduid. MODY(Maturity-Onset-Diabetes of the Young: Diabetes die op Jonge leefdtijd begint maar zonder insuline behandeld wordt. Erfelijkheid speelt een belangrijke rol bij MODY. Mono-sacchariden: enkelvoudige koolhydraten (bestaande uit een molecuul). Bijvoorbeeld: fructose en glucose. Myocardinfarct: beschadiging van de hartspier door een zuurstoftekort. Dit tekort aan zuurstof ontstaat door een verstopping in een of meerdere kransslagaders. Een ander woord voor myocardinfarct is een hartaanval. N NDF: Nederlandse Diabetes Federatie. Opgericht om optimale diabeteszorg in Nederland tot stand te brengen. Nefroloog: een arts die zich heeft gespecialiseerd in nierziekten. Nefron: een kleine functionele eenheid van de nier. Een nier bevat ongeveer 1 miljoen nefronen. Zij zijn verantwoordelijk voor de filtering van het bloed en het produceren van urine. Nefropathie: nierafwijkingen ten gevolge van diabetes of hypertensie (hoge bloeddruk). Bij nefropathie is sprake van eiwitverlies via de urine. Hoe meer eiwit er verloren wordt, des te ernstiger is de nefropathie. Neuroloog: een arts gespecialiseerd in ziekten en aandoeningen aan het zenuwstelsel. Neuropathie: beschadiging van zenuwen door Diabetes Mellitus. Afhankelijk van welke zenuwen worden aangetast bestaan er verschillende symptomen. Voorbeelden van neuropathie zijn pijnlijke voeten/onderbenen en impotentie. Nierdrempel: een drempelwaarde voor een bepaalde stof waarboven de nier deze stof pas gaat uitscheiden. De nierdrempelwaarde voor glucose is 10 mmol/L. Komt de glucosewaarde boven de 10 mmol/L dan zal de nier deze overtollige glucose uit gaan scheiden. Niet-insuline afhankelijke diabetes: Diabetes Mellitus type 2 Non-ketotisch: Normoglykemie: de toestand waarbij het glucosegehalte van het bloed normaal is: tussen de 4 en de 8 mmol/L. Bij mensen met diabetes ligt de grens voor normoglycemie tussen de 4 en de 10 mmol/L. O Obesitas: vetzucht/overgewicht. Oedeem: zwelling van bepaalde delen van het lichaam ten gevolge van vochtophopingen. Onverzadigde vetten: vetzuren met op een of meerdere plaatsen een scheikundige 'dubbele binding'. Deze vetzuren zijn gezonder voor het lichaam, omdat ze een gunstig effect hebben op het cholesterolgehalte. Orale glucosetolerantietest: een diagnostische test voor diabetes die nog zelden wordt gebruikt. Een nuchtere patiënt krijgt een suikerhoudende vloeistof waarbij een aantal keren wordt gemeten hoe de glucosewaarde in het bloed stijgt. Dit duurt ongeveer tot 2 uur na het drinken van de suikerhoudende vloeistof. Ouderdoms-diabetes: de vroegere benaming voor type 2 diabetes. Overgewicht: van overgewicht is sprake wanneer het lichaamsgewicht risico's oplevert voor de gezondheid. Of er sprake is van overgewicht is eenvoudig na te gaan met de Body Mass Index en middelomtrek. De middelomtrek geeft daarbij de doorslag. Vet rond het middel brengt namelijk extra risico's met zich mee voor de gezondheid in vergelijking met vet op bijvoorbeeld heupen en dijen. P Pancreas: Alvleesklier. Orgaan onder de maag verantwoordelijk voor de productie van diverse hormonen (zoals insuline) en spijsverteringsenzymen. Pancreatitis: ontsteking van de alvleesklier. Wordt meestal veroorzaakt door alcoholmisbruik, maar ook door galstenen, virussen en andere aandoeningen. Een erg pijnlijke aandoening. Paresthesie: een stoornis in de gevoelswaarneming waardoor er tintelingen, jeuk of pijn wordt waargenomen zonder dat er daarvoor signalen zijn gestuurd vanuit de zenuwen. Komt voor bij diabetes wanneer er sprake is van neuropathie. Peridentitis: Tandvleesklierontsteking. Komt vaker voor bij diabetespatiënten in vergelijking met mensen zonder diabetes. Podotherapeut: gespecialiseerde in voetverzorging/voetbehandeling. Mensen met diabetes hebben vaker problemen aan de voeten. Polydipsie: Abnormaal grote dorst gedurende een langere tijd. Daardoor wordt er meer dan gewoonlijk gedronken. Dit kan een symptoom van diabetes zijn. Polyfagie: overmatige eetlust. Polyurie: abnormaal veel plassen. Een verschijnsel wat een gevolg is van polydipsie. Prediabetes: het stadium voordat de diabetes echt tot uiting komt/ zich manifesteert. Proteine: eiwit. Samen met koolhydraten en vet levert eiwit het lichaam energie. Daarnaast is eiwit een belangrijke bouwstof voor het lichaam. Proteinurie: eiwitverlies via de urine. Een kenmerk van nefropathie bij diabetes. Proliferatieve retionapathie: vergevorderde oogafwijkingen ten gevolge van diabetes. Deze aandoening kenmerkt zich door de wilde groei van nieuwe bloedvaatjes in het oog waardoor bloedingen kunnen ontstaan. Deze bloedingen leiden tot de vorming van littekenweefsel in het oog en hierdoor een slechter zicht. Behandeling bestaat uit lasertherapie om de groei van de bloedvaten te stoppen. Q Quetelet-index: maat voor de verhouding van het lichaamsgewicht tegenover de lengte. R Receptoren: gebieden aan de buitenkant van cellen waaraan bepaalde stoffen/hormonen zich kunnen binden waardoor een reactie ontstaat. Een insulinemolecuul kan zich aan een daarvoor bestemde receptor binden op een cel, zodat de cel glucose kan gaan opnemen. Regulatie: het onder controle houden van de glucosewaarden in het bloed door middel van voeding, beweging en eventueel medicijnen of insuline. Retina: netvlies. Retinopathie: aandoening van het netvlies tengevolge van diabetes. Ontstaat door woekering van bloedvaatjes in het netvlies wat kleine bloedinkjes tot gevolg heeft. S Sacchariden: andere benaming voor koolhydraten. Saccharine: kunstmatige zoetstof. Secundaire diabetes: Diabetes Mellitus die ontstaat doordat de alvleesklier is aangetast door een ziekte, chemicaliën of door bepaalde medicijnen. Somatostatine: een hormoon geproduceerd door de D-cellen van de alvleesklier, de maag en een deel van de hersenen (hypothalamus). Remt de afgifte van insuline en glucagon door de alvleesklier. Somatotropine: groeihormoon. Geproduceerd door de hypofyse. Wordt vooral aan het einde van de nacht afgegeven en dit heeft een bloedglucoseverhogend effect. Somogyi-effect: een plotselinge sterke stijging van de bloedglucosewaarde nadat deze 's nachts te laag is geweest (hypoglykemie). De stijging ontstaat doordat er stresshormonen vrijkomen. Het somogyi-effect wordt betwist onder diverse specialismen over het werkelijke bestaan ervan. Sorbitol: een koolhydraat. Wordt vaak als zoetstof gebruikt om bv. suikervrije kauwgom van te maken. Sorbitol beschadigt het gebit niet, maar levert wel calorieën. Stresshormoon: hormonen die een acuut glucoseverhogend effect hebben en vrijkomen waneer het lichaam in een stressituatie komt. Voorbeelden van stresshormonen zijn glucagon, adrenaline en cortisol. Suiker: koolhydraat. Suikerziekte: Nederlandse benaming voor Diabetes Mellitus. Sufonylureumderivaten: medicijn wat de alvleesklier stimuleert om meer insuline te maken. Een medicijn wat alleen gebruikt kan worden bij type 2 diabetes. Voorbeelden zijn tolbutamide en gliclazide. T Tolbutamide: medicament wat de alvleesklier stimuleert om meer insuline te maken. Thrombolyticum: ook wel bloedverdunner genoemd. Een medicament met een bloedstollingsremmende werking. Thrombus: abnormale bloedstolling op de binnenwand van een bloedvat. Triglyceride: vetten afkomstig uit voedsel. Deze vetten zijn verteerd en worden als triglyceriden opgenomen in het bloed. Overtollige calorieën en vetten worden ook als triglyceriden opgeslagen in vetcellen. Type 1 diabetes: de vorm van diabetes waarbij de B-cellen van de alvleesklier worden vernietigd. Daardoor wordt er geen insuline meer geproduceerd en moet de patiënt meteen insuline leren spuiten. Deze vorm van diabetes ontstaat vaak bij kinderen jongeren. Type 2 diabetes: de vorm van diabetes die vaak op latere leeftijd ontstaat of bij mensen met overgewicht. Er wordt vaak te weinig insuline geproduceerd en/of de geproduceerde insuline kan niet goed zijn werk doen bij de cellen. Hierdoor blijft het glucosegehalte in het bloed te hoog. Type 2 diabetes is een progressieve ziekte, oftewel: de diabetes zal in verloop van tijd erger worden waardoor er meer medicijnen/insuline nodig zijn. U UKPDS: United Kingdom Prospective Diabetes Study. Een groot onderzoek gedurende 20 jaar over ruim 5000 diabetespatiënten waaruit erg veel is geleerd over de behandeling/risico's van diabetes. Ulcus: een moeilijk genezende zweer. Ureum: Een afvalstof van het lichaam. De nieren scheiden ureum uit met de urine. Uroloog: een arts, gespecialiseerd in de behandeling van de nieren, de urinewegen en de mannelijke geslachtsorganen. V Vasculair: heeft betrekking op de bloedvaten. Vermoeidheid: een symptoom van diverse ziekten, ook van diabetes. Doordat cellen in het lichaam onvoldoende glucose kunnen opnemen raakt de energiehuishouding van het lichaam verstoord. Hierdoor treedt vermoeidheid op. Vetten: voedingsstof. Brandstof en isolatiemateriaal voor het lichaam. Vet levert meer calorieën dan koolhydraten, eiwitten en alcohol. Vetzuren: bouwstenen van vetten. Dienen als brandstof. Vitaminen: hebben een ondersteunde functie van het lichaam op bepaalde functies goed uit te kunnen. Vitrectomie: glasvochtoperatie. De inhoud achter het oog (glasachtig lichaam) wordt weggesneden en weggezogen waarna het vervangen wordt door een nieuwe stof. W X Y Z Zelfcontrole: het zelf controleren van de bloedglucosewaarde door middel van een glucosemeter. Zelfregulatie: Het zelf nemen van maatregelen om de glucosewaarde in het bloed binnen de juiste grenzen te houden. Zwangerschapsdiabetes: een vorm van diabetes die optreedt tijdens de zwangerschap (na de 20ste week). De diabetes verdwijnt na de zwangerschap vaak weer maar komt bij 50% van de vrouwen terug als Diabetes type 2 na verloop van tijd.
|
|




